Oefeningen*: Operatoren toepassen
Wymagania zaliczenia
1. Gebruik
1.2. beschrijven
Opdracht
Beschrij een van onderstaande beroepen:
- de leerkracht
- de politieagent/e
- de dokter
- de zuster/broeder
... of een beroep naar keuze.
De volgende vragen kunnen je hierbij helpen:
- Welke opdracht heeft deze persoon?
- Met welke mensen komen ze in contact?
- Op welke plekken werken ze?
- Welke moeilijkheden brengt dit beroep met zich mee?
- Wat moet je voor dit beroep kunnen om het uit te voeren?
- Wat is erg leuk aan dit beroep?